In Candaleria (1100 mtr.) kunnen we de volgende ochtend geen brood kopen. Maakt
niet uit, we moeten toch terug naar Bejár, nu negen kilometer dalend.
Daar vinden we na veel gezoek aan de buitenkant een bakker. Daarna weten we
niet welke kant we op moeten fietsen. Een politieagent wil ons de drukke N-weg
opsturen. Na veel gepraat en gebaar gaan we toch weer terug en aan de andere
kant van de stad komen we op de route. Het is klimmen en dalen, een golvend
landschap met hier en daar een paar flinke uitschieters. Na een pittige klim
en we w
eer
bijna weer op 1100 meter zijn aangekomen, schrik ik me dood als ineens een wielrenner
naast me komt rijden. Hij zal vast: “nog een klein stukje” hebben
gezegd. In Valdecasa, een klein dorpje gaan we op zoek naar een supermecador.
We maken een praatje met een oud mannetje. Hij wijst ons alvast de weg die we
na de inkopen moeten volgen.
Wanneer we het dorpje even later uitfietsen horen we veel geschreeuw. Het mannetje
staat midden op de weg met zijn stok in de lucht te zwaaien. Als we afstappen
komt hij zo snel hij kan op zijn kromme beentjes naar ons toe lopen. Het blijkt
dat we de verkeerde kant op fietsen. Met veel gebaar wordt ons nogmaals duidelijk
gemaakt dat we dat andere kleine weggetje in moeten gaan. Hij heeft ons gered
van een
flink
eind omfietsen. En hij heeft gesprekstof voor een hele week; Hollanders de weg
gewezen en dat zal in dat dorpje zo goed als nooit voorkomen denk ik.
We moeten nog door een aantal rivierdalen, dalen en er weer uitklimmen, langs
een lange rechte weg door een afwisselend geel dan weer groen landschap met
keien, kurkeiken, varkentjes en weer keien, kurkeiken en varkentjes. Ook komen
we langs een granietwinning, waarbij men een steenpark
van gemaakt heeft. Eenzeker een meter lange slang gaat er ook een bezoek brengen.
Hij kronkelt over de weg tussen Henk en mijn fiets door. Wat schuift zo'n beest
razendsnel een eind weg.
Het laatste stuk begint te vervelen, vooral omdat er op zo’n negen kilometer
voor Salamanca nog een aardig glooiweggetje ligt, die we niet willen maar moeten
omdat het enige alternatief een erg drukke weg is.
In Salamanca rijden we al weer over een Romeinse brug de stad binnen, wat we
niet hadden moeten doen volgens het
boekje,
maar dat lezen we pas als we al een eind hebben gedwaald en niet weer terug
willen. We hebben namelijk een fietspad ontdekt langs de rivier en dat gaat
geweldig. Ooit zal er een brug komen naar de andere kant. Daar waar het fietspad
na zo’n vier à vijf kilometer afbuigt ligt inderdaad een loopbrug
en we komen aan de overkant in een nieuwbouwwijk. Bij navraag blijken we erg
makkelijk naar de camping te kunnen fietsen. We hebben met onze op goedgeluk
gevolgde alternatieve route een stuk drukke weg kunnen omzeilen.
De camping ligt achter een groot hotel en restaurant en groot zwembad. Een echte
stadscamping. Grote velden met bomen, goed onderhouden en we ontmoeten weer
de mensen van de niet schakelende fiets. Vandaag krijgen ze een naam: Kitty
en Dick. Morgen gaan ze weer door. Dan zullen we elkaar wel niet meer ontmoeten,
want na Zamora splitsen onze wegen. We wisselen website-adressen uit.
Eten doen we in het restaurant voor de camping. Hm, nou in ieder geval geen
afwas.