Wij doen het niet volgens het boekje, wanneer we de stad uit fietsen, maar
gelukkig kunnen we vrij snel van de drukke N weg
af
en gaan daarna over een rustige nieuwe weg naar Doña Mençia. We
rijden even het stadje in om de Arabische wijk te bezichtigen. We verkennen
een poosje de nauwe steegjes met de witte huisjes. Erg leuk.
We vervolgen onze weg opnieuw niet volgens het beschreven pad, maar gelukkig
komt er al snel een afslag naar een minder drukke, beter nog eenzaam slecht
weggetje, natuurlijk weer door olijfboomgaarden.
Vandaag zien we ook veel nieuw aangeplante velden. Het geeft me wel te denken;
volgens mij zal bij heftige regen de grond wegspoelen; olijfbomen worden nogal
ver uit elkaar gepland. Ik zou me voor kunnen stellen dat hier erosie op gaat
t
reden.
We rijden door naar Cabra en bezoeken daar de kerk gebouwd op de fundamenten
van een moskee. De kerk heeft 48 roodmarmeren zuilen. We hebben daarna een paar
beste bulten te nemen en stijgen bij de eerste zo’n 400 meter. Eerst gaan
we samen met vrachtauto’s over dezelfde weg, wat niet had gehoeven. Ook
hier doen we iets niet goed. Later komt er gelukkig een afslag Het is hier echt
bergachtig, de olijfbomen zijn verdwenen. We fietsen langs Carcabuey en Los
Villares, waar campings zijn, maar wij vinden het nog te vroeg om te stoppen.
Een fietsende tegenligger. Een jonge Nederlander, zo’n 25 jaar schat ik,
op een racefiets omgebouwd tot trekkingfiets met daarachter een aanhanger, veel
te zwaar bepakt, rijdt ons op een eenzaam weggetje tegemoet. De enthousiaste
jongen is alleen onderweg van Gibraltar naar Barcelona en stippelt zijn eigen
weg uit. Ik opper dat hij de route moet gaan beschrijven en hij wordt helemaal
enthousiast. Hij geniet zo ontzettend van alles wat hij ziet onderweg en blijft
vertellen. Volgens mij is de opvolger van Frank van Rijn deze zomer in Spanje
geboren. Mijn tip om wat bagage naar huis te sturen spreekt hem wel aan.
Rute valt ons tegen; wanneer we het stadje inrijden blaft een hond heel boos
naar mij, we ruiken de Anis, waar het stadje om bekend is, maar verder komt
het stadje saai op ons over. We moeten toch een hotel zoeken, maar komen bij
een duur ogend hotel wat ons niet direct uitnodigt. Na enig aarzelen besluiten
we door te fietsen naar het Embalsa de Iznàjar zo’n 15 km verderop;
gelukkig daalt de weg, want ik ben al weer aardig aan de lat. We komen bij een
soort vakantiecomplex, waar ook de camping zou moeten zijn. Het staat slecht
aangegeven, maar wanneer je over het dagrecreatieterrein naar beneden richting
Embalsa(meer) fietst, kom je uiteindelijk bij de camping. Een oase, blijkt al
gauw. Ik kan over ons verblijf daar beter in een volgend hoofdstuk vertellen.