We hadden het vertrek van vandaag gisteren zo goed gepland; we hadden een supermarkt
gevonden die om 9.00 uur open zou gaan. Wanneer we vanochtend even voor negenen
voor de deur staan brandt er nog geen licht en even na negenen ook niet. Ook
vandaag blijkt het bij navraag een feestdag te zijn. Dan maar weer op zoek naar
de bakker en daar blijkt dat we ook water kunnen kopen. We moeten wel het nodige
meenemen, want het boekje meldt dat de tocht vandaag door een ruig en droog
landschap gaat, alleen één klein dorpje zullen we vandaag passeren,
maar dat ligt naast de route. Het eerste gedeelte van de tocht gaat klimmend
over een echt fietspad, aangelegd over een oude spoorbaan naar de Porto de Mestanza.
We stijgen verder en komen in het kleine dorpje Mestanza, waar we bij de bar
nog wat cola
inslaan.
Daarna nog een gehuchtje, Pina del Solano. Aan het einde van het dorp zien we
gele borden met een hoop tekst en vermoeden dat we er niet langs mogen. Henk
rijdt even terug naar het dorpje en zijn vraag of we er met de bicycleta wel
langs kunnen wordt beantwoord met si si. We wagen het er maar op maar helemaal
gerust zijn we niet.
Het asfalt is van de weg geschraapt en we rijden over gruis, maar dat is te
doen. Even later staat aan de kant van de weg een gravertje te graven. Als dat
nu alles is …… We komen even later bij een prachtig meer en zien
grote vissen boven het water uit springen. Wat een overweldigende natuur, wat
een rust. Rust? Horen we daar in de verte niet opnieuw lawaai van gravers? Wel
een stuk hoger dan we nu zijn. “Ach het kan best dat wij die kant helemaal
niet op moeten” zeg ik met aarzelend optimisme.
Helaas aan het eind van het meer gaat de weg over de dam van de Embalsa de Monoro
en het geluid van zwaar werk verrichtende voertuigen komt dichterbij. Even horen
we niks meer, maar wanneer we om een groot rotsblok heen een bocht moeten nemen
staat daar ineens een man die ons ongelovig aankijkt en ons een bordje rood
verbodsbord met witte balk,
verboden
in te rijden – éénrichtingsverkeer – voor de neus
houdt. Tien meter boven ons is een zware graver, gehuld in grote stofwolken
bezig zware rotsblokken, waarschijnlijk door dynamiet losgerukt van de berg,
naar beneden te schuiven.
De man zegt iets tegen ons, waarvan we vermoeden dat we niet verder mogen. Henk
z’n Spaans laat ons even in de steek en gebrekkig maken we duidelijk dat
we graag er langs willen. De man kijkt ons nog eens meewarig maar gelukkig vriendelijk
aan en probeert daarna met het bordje de aandacht van de gravermachinist te
trekken. De machinist krijgt daarna de rode kant van het bordje te zien en hij
stopt de activiteiten. Ons houdt de man de groene achterkant van het bordje
voor en daarna loopt hij voor ons uit een weg zoekend tussen de rotsblokken
door. Hij brengt ons tot de plek waar een andere graver een zware kiepauto staat
te laden met hapklare rotsblokken en ook daar volgt het zelfde ritueel, rood
bordje voor de graver en kiepauto, groen voor
ons. We bedanken de man hartelijk; we zijn er langs. We vervolgen onze weg vol
gaten en kuilen, zo af en toe is de berm induikend om een vrachtauto voorbij
te laten. Gelukkig slaan die al snel af zodat wij de weg helemaal voor ons zelf
hebben.
We
stijgen door de prachtige ruige natuur naar de Los Rehoyos op 980 meter (vanaf
meer 450 meter gestegen). Wat een overweldigend uitzicht hebben we hier. Daarna
hebben we een heerlijke lange afdaling, nu door een omgeving met veel meer bos.
We fietsen inmiddels in de Sierra Morena. We komen bij Rio Robledillo (480 meter),
een rivier zoek zijn weg altijd langs het laagste punt, wij weten dat er weer
geklommen moet worden. Over een slechte weg stijgen we weer naar 960 meter naar
de porto Madrõno. We hebben het gehad; denken we, want het boekje geeft
aan dat we de laatste 30 kilometer licht dalend kunnen afleggen. Forget it!
Over het hele traject zullen we misschien iets meer zijn gedaald dan geklommen,
maar het hele traject bestaat uit sterk golvend terrein. Dat niet wetend en
nog het idee hebbend dat we alleen maar gaan dalen, fietsen we langs een bron
waar het water rechtstreeks via een rubber slang uit de berg stroomt. We berekenen
dat we nog genoeg vocht bij ons hebben en fietsen door. Dom, heel erg dom. Ik
had de lege anderhalf-liter-waterfles moeten vullen; de laatste vijf kilometer
fietsen we zonder een druppel vocht meer hebbend, en daarvoor ook al zuinig
aangedaan, ik met papbenen, die toch nog gevoelig zijn als ik kermend aan moet
zetten om weer de zoveelste stijging te nemen.
Gelukkig hebben we voldoende afleiding. We fietsen door een
woestenij en dor bossige omgeving over een slecht wegdek. Ergens staat twee
nieuwsgierig reetjes aan de kant van de weg ons op te wachten. Wanneer we dichterbij
komen lopen ze iets het bos in, maar slaan niet op de vlucht. Ze blijven ons
begluren.
Even later ziet Henk een grote slang, die op de weg ligt te zonnen, haastig
de weg af kronkelen. Helaas mis ik hem, maar het volgende dient zich al weer
aan. Door het vrij open bos heen zien we een grote roedel herten, ik schat zeker
wel dertig bij elkaar. De machtige geweien van de heren steken er boven uit.
Uiteindelijk zien we in de verte Santuario de la Virgen de Cabeza liggen.
Achter een mooi groot hotel ligt een eveneens grote camping en ook dit terrein
is helemaal voor ons alleen.Al zijn we nog zo vermoeid, we zetten eerst rustig
de tent op op een mooi plekje een beetje achteraan op het terrein, zicht op
het klootster, gaan ons douchen en ik doe het fietsklerenwasje en Henk maakt
een lijntje. Daarna gaan we naar het grote overkapte terras van het hotel. “Mag
ik van u het grootste glas Cerveza dat u heeft?” vraagt Henk aan de eigenaar.
“De allergrootste?” vraagt de man voor de zekerheid. We krijgen
een kan met een liter bier en twee glazen. We zijn net twee sponzen, slaan het
bier achterover en weten niet waar het blijft. Binnen een paar minuten haalt
Henk tot verwondering van de man, nog een kan. “Hè, hè,
dat was lekker …”.
We wandelen nog even naar het beginpunt van de trap naar het Santuario. We besluiten
het bezoek tot morgen uit te stellen en hier even de tijd voor te nemen. Wanneer
we teruglopen horen we het beurelen van de herten in de omgeving. Leuk, ik heb
dat nog nooit gehoord, terwijl er op de Veluwe omstreeks deze tijd ook behoorlijk
gebeureld zal worden
We wandelen terug naar het terras en bestellen à la carte; we vinden
dat we dat heel erg verdienen. En het is een zeer goede keuze geweest dat juist
hier te doen. We krijgen een heerlijke Gazpacho, de lekkerste die we deze hele
vakantie hebben gehad; er worden aparte schaaltjes met stukjes tomaat, paprika
en komkommer bij geserveerd. Henk neemt een kalfsschnitzel en ik een entrecote,
waarbij het lijkt of ik minstens een halve torro krijg geserveerd.Dit alles
vergezeld van een fles wijn en anderhalf liter water. Toch eten we keurig ons
bordje leeg en ook nu is de anderhalf liter fleswater ook weer leeg. (zichtbare
wijnflesbodem is vanzelfsprekend).
We gaan slapen. Na een uurtje moet ik plassen en hoor dat er een hert wel heel
erg dichtbij staat te beurelen. Ik blijf even luisteren en hoor even later een
ander hert steeds dichterbij komen eveneens beurelend en ik heb het gevoel dat
er een intensief gesprek tussen die twee plaats vindt. Ik ben inmiddels klaarwakker,
oververmoeid, teveel gegeten en nu uit mijn slaap gehouden door de macho’s,
die er nog lang niet uit zijn wie de eerste rechten krijgt voor het zorgen voor
nageslacht. “Als dat maar niet met elkaar ‘op het gewei’ gaat”,
verzin ik en ik word steeds ongeruster. “Komen ze dichterbij? Volgens
mij zijn ze op niet meer dan 30 meter afstand van de tent. Uiteindelijk val
ik toch in slaap, maar niet voor lang.
Woest blaffend komt de grote herdershond van de camping met een noodgangrecht
op onze tent af. Ook hoor ik een ander geluid, kan het niet direct thuisbrengen,
maar Henk, iets eerder wakker geworden, weet aan het geknor dat hij hoort, dat
het een wild zwijn is. Verstijfd van schrik, het klamme zweet breekt mij uit,
wacht ik af wat er gaat gebeuren. Henk heeft inmiddels de dogcheezer in zijn
hand.De hond is inmiddels dichtbij, er struikelt iets over de scheerlijn van
de tent, zodat de tent heftig in beweging is. Aan het blaffen van de hond horen
we dat het zwijn het op een lopen heeft gezet en hond is gelukkig daarna snel
stil. Brave hond eigenlijk om ons zo te verdedigen. Of denkt een hond niet zo?
“Oh, laat mij slapen”, zucht ik en het lukt zowaar. Voor een klein
poosje dan. Weer worden we wakker; nu van gesnuffel en voorzichtige stappen.
Een hert, het moet zo te horen een hert zijn. Henk probeert de dogcheezer eens
uit op het hert, maar dat werkt niet. Ik heb een “vreet mij dan maar op”
gevoel en geef mij over én val zowaar in slaap. Het is dan inmiddels
al vroeg in de ochtend.