Wanneer de wekker om 7 uur afloopt, is het nog donker. Fit voel ik me niet,
maar wel goed genoeg om te fietsen. In half donker pakken we in en al wordt
het steeds lichter, het blijft somber en dreigend. Voor alle zekerheid doen
we de regenhoezen alvast om de fietstassen en zorgen dat de regenjasjes voor
het grijpen zijn. Ik kleed me ‘dubbel’ aan om het gevatte kou-tje
niet aan te moedigen. We verlaten de camping om 8.15 uur en fietsen weer door
de prachtige kloof naar het begin van Cuenca
waar ik een bakker weet te zitten. De bakker èn het kruidenierswinkeltje
zijn beide open zodat we ook beleg, worst, queso en sap hebben. Tijdens ons
ontbijt op het bankje voor de winkel worden we vermaakt met het wegslepen van
een auto die half met zijn snuit op de weg geparkeerd stond, zodat auto’s
elkaar daar niet meer konden passeren. Het verloopt met veel gebaar en officieel
gedoe. Elke rang heeft zijn eigen auto, stopbordje, maar toch lijkt het economisch
georganiseerd.
We fietsen
daarna moeiteloos Cuenca uit. De route valt ons mee; niet al te steile klimmen
en we dalen meer dan we klimmen. Het landschap is weer overweldigend. Pijnbomenbossen,
goudgele velden met nog de stoppels van geoogst graan. Uitgebloeide
zonnebloemen, totaal geen moeite meer doend om de zon te volgen. Het mag
dan dor zijn, het geeft zo’n prachtige zachte kleur aan het lan
dschap.
De zon schijn vandaag niet, het is grijs, maar niet koud ongeveer 20 tot 25
graden. De dorpjes zijn niet erg spectaculair; sober en wit. We komen in Vilares
del Saz, de streek van de hammen en kazen blijkt uit een aantal winkels met
grote uithangborden en nog uitnodigender hammen in de etalages. Laat ik nu ter
plekke een ontzettende zoutbehoefte voelen opkomen, zodat we naast koffie en
cola ook een lekker stukje kaas kopen. Heerlijk.
Verder maar weer. Eerst een stukje klimmen met prachtige
uitzichten. Waar ik al voor vreesde komt uit; harde wind; soms schuin tegen,
soms even duwend bij een ‘kronkel’op ons pad. Het laatste stuk is
echt afschuwelijk. Hard tegen of hard op zij.
We hebben nu beiden zere knieën van het vechten met de wind, wat we nu
proberen te verdoven met wat biertjes in te nemen. We zijn in Belmonte, zijn
het
plaatsje nog even in gewandeld, naar het kasteel
geklommen, maar kunnen de moed niet meer opbrengen om het te bezichtigen. We
lezen de beschrijving later wel in het boek van Rik Zaal. We doen nog wat boodschappen
en (ver)dwalen door het steriele stadje. Men doet wel erg z’n best om
het meer aanzien te geven, maar toch oogt het wat koud.
We hebben trouwens een leuk hotel, prima kamer en de kaart ziet er ook goed
uit en later blijkt dat het voortreffelijk smaakt, wat we gekozen hebben.