Donderdag 28 augustus 2003 Sanguësa – Borja 127.3 km.
Om half zeven staan we op. We willen vroeg vertrekken om de warmte een gedeelte
van de dag voor te zijn. Ik zie tegen de dag op na de verhalen van gisteren
over tegenwind; en dan die hitte.
We gaan op zoek naar brood en nog maar net op de fiets richting stadje ruiken
we de geur van vers gebakken brood. Ik gluur
door
een openstaande deur naar binnen en zie een bakkerij waar men druk aan het werk
is. Wij kunnen er een paar ‘pannen’ kopen. Die zorg is voorbij.
Nu de rest van de dag zien door te worstelen. (nog steeds negatieve gedachten).
Eerst naar El Sos del Rey Católico, de
geboorteplaats van Fernando II van Aragon, een geleidelijke klim, die me mee
valt. Het is een prachtig oud historisch stadje
met nauwe straatjes. We dwalen er een poosje rond, om elke hoek is weer een
ander mooi fotogeniek plaatje te maken. Het is er zo rustgevend, er kunnen dan
ook geen auto’s rijden op de meeste plekken. Ik vraag me af of hier nu
veel toeristen komen. Het is echt de moeite waard om een paar uur rond te dwalen.
Wij hebben niet alle tijd en na lekker vers stokbrood gegeten te hebben met
sinaasappelsap, vervolgen we onze tocht eerst nog een stuk klimmend naar het
hoogste punt van de Sierra de Pena, dan dalend
naar Castilliscar en het blijft dalen. En we trekken de voorzichtige conclusie
dat we de wind meer van achteren voelen en van op zij dan tegen.
Regelmatig
passeren we het Canal de las Bárdenas, een gegraven kanaal vanaf het
stuwmeer van Yesa, dat we op de tocht vanaf Jaca zijn gepasseerd. Het kanaal
is gegraven voor de watertoevoer op de Ebrovlakte. We zien het systeem van irrigatiegoten,
bovengrondse watergoten, die het water bij de akkers brengt. Er wordt van alles
verbouwd. Maïs natuurlijk, koren, maar ook zien we later grote rijstvelden.We
rollen erg gemakkelijk naar Sábada; donkere wolken boven de vlakte voor
ons komen snel steeds dichter bij. Ik wil graag even aan het stadje ruiken en
we fietsen er kriskras door heen. Het begint te regenen, wanneer we bij de rivier
Rio Riguel aankomen, waar gelukkig een paar bomen staan zodat we redelijk beschut
de regenjasjes aan kunnen trekken. We zoeken een bakker en bij navraag aan 3
nieuwsgierige mannetjes die net als ons onder een boom langs de rivier schuilen,
worden we over de brug gestuurd. We belanden echter in de bar, die daar op de
hoek staat, want het begint te hozen. Met bakken vol komt het uit de lucht vallen;
hier is niet in te fietsen. Wat nu? Eerst maar een koffie met en zonder leche.
Doe ook nog maar een cola. Bij het wisselen van mijn zonneglas naar helder glas
in mijn Oakley, breekt het montuur. Het zat er al dik in dat het een keer zou
gebeuren, die van Henk was onlangs ook gebroken en ze waren ongeveer even oud.
Geen nood, het is vakantie; het lijkt erop dat de zon weer gaat schijnen en
Henk plakt het zonneglas met tape in mijn montuur. Gauw naar de bakker, brood
aanvullen en weer op pad want de zon doet inmiddels het asfalt wasemen. Ik heb
tijd genoeg gehad om de kaart te bestuderen en vermoed dat na 2 kilometer een
afslag komt naar de uitgestippelde route. We klimmen Sábada uit langs
een nieuwe weg zonder afslag. Ik bestudeer de kaart nog eens; “we kunnen
ook deze weg blijven volgen óf we moeten terug”. De beslissing
is snel genomen, want we hebben inmiddels de rugwind gevoeld en het is erg aanlokkelijk
om met deze wind over de lange rechte weg voor ons te fietsen. Het wordt een
sensatie. Met zo’n 40 km per uur scheuren we over de vlakte, jammer dan
mijn fiets zo wiebelt. We genieten van het vergezicht. Na Ejea de los Cabaleros
( een stadje met zo’mooie naam wil je toch niet missen?) waar we ons middagrecept
kopen, Cola, hebben we de wind niet meer helemaal achter, maar toch halen we
nog makkelijk 30 km per uur. Het landschap wordt woestijnachtiger en net zoals
je in reclamefilms ziet, staat hier ook langs de rechte stille weg een krakkemikkig
tankstation.
Op de kaart zie ik dat we deze route beter niet helemaal kunnen volgen, want
dan zouden we het laatste gedeelte over een drukke N-weg moeten. We besluiten
door te steken naar de beschreven route. De doorsteek is langer dan verwacht,
wel mooi, maar tegenwind! We halen nog maar 12 á 13 kilometer per uur.
“Zo had het vandaag dus ook de hele dag kunnen gaan”, zeggen we,
proberend de uitgelaten stemming van het ‘voor de wind fietsen’
vast te houden. Het wordt ook weer iets donkerder in de lucht en de regenjasjes
moeten zo’n 8 km voor ons einddoel toch nog even aan, maar na 1 km ook
al weer uit. We hebben het helemaal gehad. De kilometers gaan tellen en steeds
komt die (k)-stad maar niet in zicht. Wel zien we in de verte een hele grote
vuilnisbelt en mopperen dat je zoiets toch niet doet. Wanneer we dichterbij
komen, zien we dat dit het stadje is waar we naar toe moeten; Borja. De vuilnisbelt
blijkt een mooi stadje te zijn. We fietsen eerst even naar boven voor ‘een
blik’ in het oude deels ommuurde gedeelte en zoeken dan het enige hotel
op dat de stad rijk is. Een goed bed en bad en daar is zo langzamerhand het
smachten naar.
Het bed stellen we nog even uit. We eten heerlijk in een door de Spanjaarden
druk bezochte bar, met in de kelder een uitstekend restaurant; een joekel van
een ensalada, gepofte aardappelen en een entrecote van zeker 400 gram. Hier
waren we ook aan toe. Er wordt perfect en met aandacht bediend, Henk hoeft zelfs
de wijn zelf niet in te schenken; je voelt je echt verwend. Daarna zo’n
kunstig versierd ijsje, dat ik spontaan begin te jubelen en de ober glundert
van oor tot oor door mijn enthousiasme.
Terug bij ons hotel worden we binnen gelaten door de nachtportier, nadat er
wat moeilijk gedaan wordt door de intercom; we snappen zijn aanwijzingen niet
hoe de deur open moet. Dat dit bij mij onderdrukte slappe lach neigingen veroorzaakt,
hoef ik natuurlijk eigenlijk niet te vertellen. Hij komt uiteindelijk naar beneden
om ons de deur te openen. Onze fietsen staan nog steeds in de gang onder de
trap, we kunnen gerust gaan slapen.