De kerkklokken van de Nederlandse Hervormde kerk galmen zwaar hun lokroep
over ons dorp. Negen uur; snel kleed ik me aan en loop zoals meestal op zondagmorgen
naar De Enk. De Enk, een glooiend akkerlandschap, afgewisseld met weilanden.
De akkers zijn grotendeels zwart; soms staat er nog verrot loof van aardappels
die niet gerooid zijn vanwege de mislukte oogst door de droogte afgelopen
zomer. De bosrand in de verte is zonder kleur. Het is winter.
Een streepje zon probeert vanachter de nog maar net opgedroogde regenwolken
vandaan te priemen. Het geeft een mooie gouden rand aan het gat in de zware
wolk.
Ik wandel over het asfaltweggetje dat de Enk doorsnijdt. Boven op een glooiing, het hoogste punt van De Enk, rijdt een jeep mij voorbij. Twee goudbruine koeien in een weiland verderop, heffen luisterend hun kop op. Dan denderen ze in volle vaart door de wei richting hek. De jeep stopt, een man stapt uit.
Ik versnel mijn pas. De man trekt intussen laarzen aan en klimt met een
baal hooi, die achter in z’n auto lag, over het hek en gooit het in
de ruif in het weiland. Terug bij de auto, laadt hij een soort brokjes in
een emmer. Ik ben inmiddels gearriveerd en test met een ‘goedemorgen’ of
hij in is voor een praatje.
De man draait zich om. Een vriendelijk verweerd gezicht met verzorgde grijze
baard onder een hoed met een veer, kijkt mij aan. Zijn kleding, een ruig groen
vest en manchesterbroek geven hem het uiterlijk van een buitenmens.
‘Wat een bijzonder gezicht was dat daarnet, die hollende koeien’ start
ik het gesprek. ‘Ja, ze herkennen het geluud van de auto hè;
as ik bovenop de bult toeter, kommen ze direct aanrennen. Die beesten bent
lange niet dom’, is het antwoord in het goedmoedige dialect van deze
streek.
‘Ik maak regelmatig een praatje met hen als ik hier langskom’, durf
ik mijn niet door iedereen te begrijpen gewoonte, een praatje met dieren, te
onthullen. ‘Ik vind ze zó mooi; hun gouden vacht en mooie krulletjes
op hun voorhoofd’.
De man gaat zitten opde rand van de laadbak van de auto, zijn benen languit
gekruist voor zich, de handen steunend op de rand. Hij vertelt, dat dit soort
koeien uit de Limousin komt. Hij is met het houden van koeien begonnen als
hobby, maar het is inmiddels al aardig uit de hand gelopen.
‘Die doar an de overkant van De Enk,doar tegen de bosrand, bint ook van
mie. Doar en doar, met gestrekte arm priemt hij met zijn wijsvinger diverse kanten
op, heb ik ook nog land en overal stoan een paar koeien op. Ik heb er inmiddels
veertien’.
Hij begint te vertellen over het karakter van de dieren, hoe sterk ze zijn
en eigenwijs. Morgen wil hij ze ophalen om een poosje op stal te zetten; er
wordt sneeuw voorspeld. Op mijn vraag of ze daar dan niet tegen kunnen met
zo’n dikke harige jas, antwoordt hij dat dat geen probleem is, maar het
weiland wordt dan zo vertrapt.
‘Volgens mij bent u er behoorlijk druk mee'..
Ja, volgende week moet hij naar Luxemburg; een stier kopen. Hij heeft wel een
stier maar wil er een nieuwe bij hebben. Maar diezelfde dag heeft hij ook een
bruiloft. En dat is toch een beetje een probleem.
‘Moeders vindt het op zich niet erg, dat hij vee houdt, maar de kerk moet
wel in’t midden blieven. Ik mot doar wel rekening mit houden, anders hebben
wie een probleem’.
Ja, daar kan ik weinig op zeggen. Ik hoop in elk geval dat hij de weilanden
blijft stofferen met deze leuke dieren.
‘Nou ik ga maar weer eens verder. Zal vast tegen de koeien in de wei aan de andere kant van De Enk zeggen, dat u er zo aankomt. Tot ziens, ik kom u vast nog wel een keer tegen’.
"Tot kiekus".
Voor het laatst bijgewerkt op 19-05-2005
Anekdotes
* Lange niet dom
* En dan ...?
* POEMA
* ... en waar gaat de mais-het hooi naar toe
* ... en wie gaat er mee 'aan de haal'?
In bewerking:
* Wat vliegt daar
* Dieren
* Bloemen
* De lindeboom
Geschiedenis
*Paden krijgen namen
* Veluwsche Stoomtrein Maatschappij
* Bos 'Munsterman'
Januari
Februari
Maart
April
Mei
Juni
Juli
Augustus
September
Oktober
November
December